Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 januari 2018 terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1996, ontvangt sinds 2014 een Wajong-uitkering vanwege een pervasieve ontwikkelingsstoornis en zwakbegaafdheid. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante maakte bezwaar tegen deze verlaging, maar de rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond omdat zij onvoldoende medische informatie overlegde die haar standpunt ondersteunde.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat zij geen arbeidsvermogen heeft en benadrukte haar behoefte aan intensieve begeleiding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de artikelen 3:8 en 3:8a Wajong niet van toepassing zijn, omdat appellante inkomensondersteuning ontvangt op basis van artikel 2:40 Wajong Pro. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante ondanks haar beperkingen basale werknemersvaardigheden bezit en in staat is om eenvoudige taken uit te voeren.
De Raad wees erop dat de noodzaak van intensieve begeleiding niet uitsluit dat appellante arbeidsvermogen heeft. Uit de medische en arbeidsdeskundige rapporten blijkt dat zij ten minste vier uur per dag belastbaar is en taken kan uitvoeren zoals schoonmaken van dierenverblijven en handmatig afwassen. De Raad concludeerde dat de verlaging van de uitkering terecht is en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon is terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.