Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.Deze beroepsgrond slaagt niet.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en werd in een strafrechtelijk onderzoek veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor betrokkenheid bij de productie van amfetamine. Het college legde hem een bestuurlijke boete op wegens het niet melden van deze op geld waardeerbare activiteiten, waarmee hij zijn inlichtingenverplichting schond.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen voor appellant in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing, stellende dat het college niet had aangetoond dat hij de inlichtingenverplichting had geschonden en dat hij geen inkomsten uit de activiteiten had ontvangen.
De Raad oordeelt dat het vonnis en het rapport van de sociale recherche voldoende bewijs leveren dat appellant betrokken was bij op geld waardeerbare activiteiten. Het niet melden hiervan vormt een schending van de inlichtingenverplichting, ongeacht of appellant daadwerkelijk inkomsten ontving. De boete is proportioneel vastgesteld op basis van het benadelingsbedrag en normale verwijtbaarheid. Appellants beroep op dringende redenen faalt wegens onvoldoende onderbouwing.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en laat de boete van €839,42 in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €839,42 wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt gehandhaafd.