ECLI:NL:CRVB:2024:1971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering terecht; schending Awb-artikel 8:57 door rechtbank
Appellante werkte als verzorgende en meldde zich ziek met psychische klachten. Het Uwv weigerde haar een ZW-uitkering toe te kennen na medisch onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellante geschikt was voor haar werk.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank in strijd met artikel 8:57 Awb Pro handelde door zonder haar toestemming van een zitting af te zien. De Raad oordeelt dat de rechtbank dit artikel inderdaad heeft geschonden, maar dat appellante in hoger beroep alsnog de mogelijkheid heeft gehad haar standpunt mondeling toe te lichten, waardoor zij niet benadeeld is.
De Raad bevestigt dat het Uwv terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd, omdat appellante niet medisch ongeschikt was voor haar arbeid. De schending van artikel 8:57 Awb Pro leidt wel tot een proceskostenvergoeding aan appellante en terugbetaling van griffierecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering, maar veroordeelt het Uwv tot proceskostenvergoeding wegens schending van artikel 8:57 Awb.