Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1950

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
22 oktober 2024
Zaaknummer
23/617 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV, waarna het UWV op 28 maart 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam die geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep op 23 april 2024 in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat het UWV reeds kosten had vergoed in de bezwaarfase, zodat nu alleen de kosten in beroep en hoger beroep moesten worden beoordeeld. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht werd een vergoeding van €1.750,- voor het beroep en €875,- voor het hoger beroep vastgesteld.

Daarnaast werden kosten voor een deskundigenrapport deels vergoed, waarbij administratiekosten werden uitgesloten. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werkzaamheden werden vergoed tegen het maximale uurtarief conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003, wat resulteerde in een totaal van €2.418,19 inclusief btw.

In totaal werd het UWV veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €5.043,19 plus vergoeding van het betaalde griffierecht van €186,-. De uitspraak werd gedaan door E.J.J.M. Weyers op 10 oktober 2024.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 oktober 2024
23/617 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2023, 22/2232 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft aanvullende gronden van het hoger beroep en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft op 28 maart 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 23 april 2024 heeft [gemachtigde] namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 maart 2024 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.750,‑ in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) en
€ 875,- in hoger beroep (één punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Appellante heeft een deskundigenrapport van het Expertise Instituut van 26 juni 2023 ingediend. De kosten die appellante in dit verband redelijkerwijs heeft moeten maken komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De op de specificatie van de factuur genoemde administratiekosten van € 101,50 komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van Pro het Bpb niet in deze kosten voorziet. De werkzaamheden van de verzekeringsarts (10 uren in 2023) en de arbeidsdeskundige (4 uren in 2023) komen voor vergoeding in aanmerking. Conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt daarbij uitgegaan van een maximaal uurtarief van € 142,75 exclusief omzetbelasting (in 2023). Dit betekent dat voor de werkzaamheden een bedrag van € 2.418,19 (inclusief omzetbelasting) wordt vergoed. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 5.043,19.
Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.043,19;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2024.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) S. Pouw