ECLI:NL:CRVB:2024:1935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding
Appellant diende een aanvraag om bijstand in als alleenstaande, maar het college wees deze af omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met X, een jeugdvriend bij wie hij woont. Appellant voerde aan dat zijn situatie was gewijzigd en dat sprake was van een huurrelatie zonder wederzijdse zorg, maar kon dit niet aantonen.
De Raad toetste het hoger beroep en stelde vast dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet van toepassing is. Dit houdt in dat appellant en X als gehuwden worden aangemerkt omdat zij in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als zodanig werden beschouwd en beiden hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
De aangevoerde wijziging in omstandigheden, zoals het huurcontract en het ontbreken van wederzijdse zorg, is niet relevant voor de beoordeling van het rechtsvermoeden. De Raad concludeerde dat appellant niet heeft aangetoond dat zijn situatie zodanig is veranderd dat hij recht heeft op bijstand als alleenstaande.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 8 oktober 2024.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand als alleenstaande wordt afgewezen vanwege het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.