ECLI:NL:CRVB:2024:1928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving AOW-pensioen volgens de alleenstaandennorm. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen omdat appellant vanaf 2 januari 2020 met een ander persoon (X) een gezamenlijke huishouding voerde, mede vanwege de geboorte van een kind uit hun relatie. Appellant voerde aan geen gezamenlijke huishouding te voeren omdat hij niet getrouwd was en geen relatie had met X.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van de Svb. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van de AOW-wetgeving het samenwonen met een kind uit een eerdere relatie een onweerlegbaar vermoeden van gezamenlijke huishouding oplevert. De aard van de relatie of het ontbreken daarvan is daarbij irrelevant.
De Raad liet een mondelinge behandeling achterwege en sloot het onderzoek schriftelijk. Het hoger beroep werd verworpen en het bestreden besluit bevestigd, waardoor de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen blijven bestaan. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen blijven in stand.