ECLI:NL:CRVB:2024:1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens ongewijzigde medische beperkingen na eerstejaarsbeoordeling
Appellante ontving vanaf april 2021 een Ziektewetuitkering en werd tijdens de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) medisch geschikt bevonden voor bepaalde functies, waarna haar ZW-uitkering in mei 2022 werd beëindigd. Na een nieuwe ziekmelding in juni 2022 en een medisch onderzoek in oktober 2022 besloot het UWV opnieuw haar ZW-uitkering te beëindigen omdat haar medische situatie niet was verslechterd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische en fysieke beperkingen waren toegenomen en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen contact op te nemen met de POH GGZ.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen en dat de functies uit de eerstejaarsbeoordeling nog steeds geschikt zijn. Het medisch onderzoek was zorgvuldig, de brief van de POH GGZ werd betrokken en de Raad volgt de rechtbank in het niet toekennen van meer beperkingen. Sociale omstandigheden zijn niet relevant voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Het hoger beroep wordt verworpen, de beëindiging van de ZW-uitkering blijft gehandhaafd en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering van appellante terecht heeft beëindigd per 18 oktober 2022.