ECLI:NL:CRVB:2024:1805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslaglegging op IVA-uitkering door UWV en rechtsbescherming
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het UWV om bezwaar tegen een betaalspecificatie van januari 2021 ongegrond te verklaren. Appellante ontvangt een IVA-uitkering en betwist de inhoudingen vanwege beslaglegging door een deurwaarder.
De rechtbank Amsterdam heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het beroep tegen dat besluit afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het UWV gehouden is medewerking te verlenen aan beslaglegging en dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag niet tot de taak van het UWV behoort. Appellante werd geadviseerd zich tot de civiele rechter te wenden voor haar bezwaren tegen het beslag.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad benadrukt dat het UWV binnen het kader van het beslag is gebleven en dat appellante haar bezwaren tegen de beslaglegging en de beslagvrije voet aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het hoger beroep wordt verworpen en appellante krijgt geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV gehouden is medewerking te verlenen aan beslaglegging en wijst het hoger beroep van appellante af.