ECLI:NL:CRVB:2024:1683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV en toekenning volledige proceskostenvergoeding in WIA-zaak
Appellant ontvangt sinds 2015 een WIA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde in 2021 vast dat appellant 43,43% arbeidsongeschikt was, wat leidde tot een bezwaarprocedure die het UWV ongegrond verklaarde. Tijdens het hoger beroep wijzigde het UWV de medische en arbeidskundige grondslag en stelde een arbeidsongeschiktheid van 46,58% vast.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit gedeeltelijk en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 46,58%, maar veroordeelde het UWV slechts gedeeltelijk in proceskosten. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank het primaire besluit had moeten herroepen en ook de gewijzigde restverdiencapaciteit had moeten meenemen. Tevens had de rechtbank het UWV moeten veroordelen in de kosten van de bezwaarfase en volledige proceskosten in beroep en hoger beroep.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het besluit van 20 juli 2022, herroept het besluit van 19 juli 2021 voor zover het de arbeidsongeschiktheid en restverdiencapaciteit betreft, en stelt deze vast op 46,85% en € 1.805,60 per maand. Het UWV wordt veroordeeld tot een totale proceskostenvergoeding van € 4.748,- en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 4.748,- aan proceskosten en terugbetaling van het griffierecht.