ECLI:NL:CRVB:2024:1663

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
22/2313 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en proceskostenvergoeding

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen die volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant. Hierdoor heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep heeft vervolgens beoordeeld of het UWV in de proceskosten van appellant moet worden veroordeeld. De Raad heeft vastgesteld dat de kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep begroot worden op €1.750,- en dat reiskosten voor openbaar vervoer tot €15,40 worden vergoed. Verzoek tot vergoeding van reiskosten van de behandelaar is afgewezen omdat alleen reiskosten van niet-professionele gemachtigden kunnen worden vergoed.

Daarnaast dient het UWV het door appellant betaalde griffierecht van €136,- te vergoeden. De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot proceskostenvergoeding toegewezen, waarna de uitspraak is gedaan op 21 augustus 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken na tegemoetkoming UWV; UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

22.2313 WIA

Datum uitspraak: 21 augustus 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2022, 21/5211 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn en behandelaar [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
De Raad heeft het onderzoek heropend en dr. F.B. van der Wurff, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 8 december 2023 gerapporteerd.
Het Uwv heeft op 30 januari 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 januari 2024 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Appellant heeft de nabetaling van de uitkering inclusief de
wettelijke rente over de nabetaling ontvangen.
Aangezien het Uwv in het besluit van 16 september 2021 reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase en de rechtbank in de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling in beroep heeft uitgesproken, staan de Raad nog ter beoordeling de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad, komen tot een bedrag van € 15,40 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.
Het verzoek van apellant om de in hoger beroep voor het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten van behandelaar [naam] te vergoeden wijst de Raad af. Ingevolge artikel 1, onder d, van het Bpb kan, voor zover thans van belang, een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb uitsluitend betrekking hebben op reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende. Uitsluitend ingeval namens een partij een nietprofessionele gemachtigde verschijnt (terwijl de partij zelf niet verschijnt), kunnen de reiskosten van die niet-professionele gemachtigde worden vergoed. Dit doet zich hier niet voor omdat mr. Kuhn als professionele gemachtigde is verschenen.
Het Uwv dient het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.765,40;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2024.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) M.D.F. de Moor