Appellant heeft twee keer bijzondere bijstand voor tandartskosten aangevraagd: eerst voor €407,20 en later voor €481,27, waarvan €74,07 extra kosten betroffen. Het college wees beide aanvragen af vanwege voldoende draagkracht, maar appellant maakte alleen bezwaar tegen de tweede afwijzing.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de tweede afwijzing ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat het hoger beroep slaagt omdat het college de draagkracht onjuist had berekend en bereid is de bijzondere bijstand van €74,07 alsnog toe te kennen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het besluit van 13 januari 2023 en bepaalt dat het college de bijzondere bijstand voor de extra tandartskosten moet verlenen. De kosten van de eerdere aanvraag kunnen niet meer ter discussie worden gesteld omdat appellant daartegen geen bezwaar maakte. Tevens krijgt appellant het betaalde griffierecht terug.
Deze uitspraak benadrukt het belang van bezwaar maken tegen besluiten en bevestigt dat het college bij onjuiste draagkrachtberekening alsnog bijzondere bijstand moet toekennen.