Appellante, met een verstandelijke beperking en ADHD, was sinds 2016 geïndiceerd voor zorgprofiel VG04 onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ herzag dit in 2022 naar zorgprofiel VG03, na een nieuw onderzoek dat via beeldbellen plaatsvond. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, dat door het CIZ werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank, die het besluit in stand hield.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het CIZ onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging in de geobjectiveerde zorgbehoefte van appellante. Het onderzoek voldoet niet aan de vereisten omdat het niet inzichtelijk maakt waarom het eerdere zorgprofiel niet meer passend zou zijn. Bovendien is het eerdere onderzoek in 2016 onvolledig, waardoor een betrouwbare vergelijking wordt bemoeilijkt.
De Raad benadrukt dat de Wlz bedoeld is voor blijvende zorgbehoefte, waarbij herindicatie alleen bij verzwaring van de zorgbehoefte gebruikelijk is. Verlichting van zorgbehoefte vereist een hoge motiveringsstandaard, zeker bij belastende besluiten. Gezien deze omstandigheden vernietigt de Raad het bestreden besluit en het besluit van 3 maart 2022 en herroept het laatste. Tevens veroordeelt de Raad het CIZ tot vergoeding van proceskosten en griffierecht voor appellante.