ECLI:NL:CRVB:2024:1556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aflossingsverplichting Bbz-lening na juiste vermogensvaststelling
In deze zaak staat de aflossing van een als lening verstrekte Bbz-uitkering centraal. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende appellant een Bbz-uitkering toe in de vorm van een geldlening, waarbij het vermogen van appellant bij de eerste toekenning was vastgesteld boven de vermogensgrens. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit over de aflossing van deze lening, waarbij hij stelde dat de vermogensvaststelling bij toekenning onjuist was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de vermogensvaststelling bij de eerste toekenning niet opnieuw aan de orde kan worden gesteld bij de aflossingsverplichting. Dit omdat appellant destijds de mogelijkheid had bezwaar te maken tegen de toekenning, maar dit niet tijdig deed. Bovendien was het bezwaar tegen de toekenningsbesluiten terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Verder wees de Raad op eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een latere vaststelling van het vermogen niet kan worden aangevochten als er destijds geen bezwaar is gemaakt, maar deze situatie is hier niet van toepassing omdat het vermogen destijds juist boven de grens was vastgesteld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waarbij appellant ook geen vergoeding van kosten kreeg toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.