ECLI:NL:CRVB:2024:1514

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2024
Publicatiedatum
25 juli 2024
Zaaknummer
22/3326 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep wegens ontbreken instemming erfgenamen na overlijden appellante

Appellante, bekend met dementie en beperkingen na een herseninfarct, had een aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ingediend bij Stichting Menzis Zorgkantoor. Deze aanvraag werd op 9 maart 2021 afgewezen. Na bezwaar bleef Menzis bij de afwijzing. De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure overleed zij op 17 juli 2023. De gemachtigde gaf aan dat een persoon de procedure wilde voortzetten, maar de Raad voor de Rechtspraak stelde vast dat niet alle erfgenamen hiermee instemden. Hierdoor verviel het procesbelang van appellante.

Op de zitting van 13 juni 2024 werd dit besproken en de Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De Raad heeft het hoger beroep niet inhoudelijk beoordeeld en wees proceskosten en griffierecht af. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 25 juli 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken instemming van alle erfgenamen na overlijden appellante.

Uitspraak

22/3326 WLZ
Datum uitspraak: 25 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 september 2022, ZWO 21/1100 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante], in leven laatstelijk wonend te [woonplaats] (appellante)
Stichting Menzis Zorgkantoor (Menzis)
SAMENVATTING
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, omdat na het overlijden van appellante niet alle erven hebben ingestemd met voortzetting van het hoger beroep.

PROCESVERLOOP

Namens [appellante] heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Menzis heeft een verweerschrift ingediend. Mr. de Widt heeft laten weten dat appellante op 17 juli 2023 is overleden en dat [naam] de procedure wil voortzetten. De Raad heeft navraag gedaan over de erfgenamen van appellante. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 juni 2024. [naam], haar partner, [naam partner] en mr. De Widt zijn verschenen. Menzis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.E. van de Klift.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op 12 maart 1934, was bekend met dementie en beperkingen als gevolg van een herseninfarct in 2016 .
1.2.
Met een besluit van 9 maart 2021 heeft Menzis de aanvraag van appellante voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het pgb, maar Menzis is met een besluit van 1 juni 2020 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van betrokkene
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Het oordeel van de Raad

4. De gemachtigde van appellante heeft desgevraagd laten weten dat niet alle erfgenamen akkoord zijn met voortzetting van de procedure. Dat betekent dat het hoger beroep nietontvankelijk moet worden verklaard. Het procesbelang van appellante is vervallen bij haar overlijden.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. De Raad beoordeelt het hoger beroep daarom niet inhoudelijk.
6. Er bestaat geen aanleiding om proceskosten te vergoeden. Ook het griffierecht wordt niet terug verkregen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.M.P. Jacobs en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2024.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt