Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1424

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
18 juli 2024
Zaaknummer
20/1136 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kostenvergoeding bijzondere bijstand bewindvoering

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam over bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten over de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 april 2019. Tijdens de procedure werd de bijzondere bijstand alsnog toegekend door het college na een ingebrekestelling wegens het niet volledig beslissen op de oorspronkelijke aanvraag van 18 december 2018.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college niet is tegemoetgekomen aan het hoger beroep, omdat het besluit over de ontbrekende periode een beslissing op een eerdere aanvraag betreft die niet in hoger beroep lag. De gemaakte kosten voor het indienen van een nieuwe aanvraag worden niet als redelijk beschouwd, omdat de professionele bewindvoerder het college eerder had moeten wijzen op de onvolledige beslissing.

Daarmee is geen sprake van kosten die redelijkerwijs gemaakt zijn in verband met de behandeling van het beroep, zodat het verzoek om kostenvergoeding wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 juli 2024.

Uitkomst: Het verzoek om kostenvergoeding wordt afgewezen omdat de gemaakte kosten niet redelijk waren en het college niet in hoger beroep is tegemoetgekomen.

Uitspraak

20/1136 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2020, 19/5141 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 2 juli 2024

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 25 oktober 2021 heeft mr. Shaaban namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 30 december 2021 heeft appellante gereageerd op het verweerschrift van het college.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
In artikel 8:75, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Appellante wenste met het hoger beroep te bereiken dat aan haar bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering zou worden verleend over de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 april 2019. Met een besluit van 21 september 2021 heeft het college deze bijzondere bijstand alsnog aan haar toegekend.
Volgens het college is geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb. Het besluit van 21 september 2021 is genomen nadat het college op 15 september 2021 een ingebrekestelling had ontvangen wegens het niet volledig beslissen op een aanvraag om bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten van 18 december 2018. Met een besluit van 23 januari 2019 was op deze aanvraag beslist, maar abusievelijk was geen beslissing genomen op de aanvraag voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 april 2019. Nadat het college hier op was gewezen, heeft zij met het besluit van 21 september 2021 alsnog op dit deel van de aanvraag beslist. De aanvraag van 18 december 2018 lag niet voor in hoger beroep. Er is daarom ook niet tegemoetgekomen aan het hoger beroep. Het college heeft slechts beslist op een eerdere aanvraag.
Alleen kosten die een partij redelijkerwijs heeft gemaakt, komen voor vergoeding in aanmerking. Appellante stond ten tijde van de aanvraag onder beschermingsbewind. De bewindvoeringskosten zijn aangevraagd door een professionele, door de rechtbank benoemde bewindvoerder. Van een professionele bewindvoerder die bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten aanvraagt, mag worden verwacht dat hij het college aanstonds erop wijst als het college vergeet op een deel van de aanvraag te beslissen. In dit geval had de bewindvoerder eerder dan tijdens de hoger beroepsprocedure van een nieuwe aanvraag het college dienen te wijzen op het feit dat bij het besluit van 23 januari 2019 niet volledig op zijn aanvraag van 18 december 2018 was beslist. Het indienen van een nieuwe aanvraag voor die periode was dan niet nodig geweest. Dit betekent dat, daargelaten of sprake is van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a Awb, er geen sprake is van redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, eerste volzin, van de Awb. Reeds om die reden dient het verzoek van appellante te worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek van appellante om kostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) M. Zwart