ECLI:NL:CRVB:2024:1340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
De zaak betreft het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV van 8 mei 2023, waarin het UWV het bezwaar van appellant tegen de weigering van een Wajong-uitkering ongegrond verklaarde. Eerder had de Raad geoordeeld dat appellant op 10 oktober 2018 geen arbeidsvermogen had vanwege het niet accepteren van werkgeversgezag, maar dat de duurzaamheid van deze situatie moest worden beoordeeld.
Het UWV baseerde zich op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige die stelden dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, mede omdat behandeling en medicatie verbetering kunnen brengen. De Raad concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de prognose dat appellant na behandeling mogelijk basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen, aannemelijk is.
Appellant voerde aan dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, onder meer vanwege een zorgmachtiging en het ontbreken van reële mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De Raad verwierp dit en benadrukte dat de beoordeling moet plaatsvinden op het moment van het besluit, waarbij toekomstige ontwikkelingen worden meegewogen.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.