ECLI:NL:CRVB:2024:125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als huishoudelijk medewerker, werd op 20 februari 2017 ziekgemeld. Na een WIA-beoordeling in maart 2020 werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor zij geen WIA-uitkering kreeg, maar wel een Werkloosheidswet-uitkering. Op 20 januari 2021 meldde zij zich opnieuw ziek en vroeg zij een Ziektewet-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per besluit van 2 maart 2021, omdat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleek dat haar beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen waren toegenomen door medicatie voor restless legs, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren toegenomen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad benadrukt dat bij een nieuwe ziekmelding na een eerdere WIA-beoordeling de medische beperkingen moeten zijn toegenomen om recht te geven op een ZW-uitkering. Omdat de medicatie pas na de datum van de ziekmelding werd voorgeschreven en appellante geen medische informatie overlegd heeft die haar standpunt ondersteunt, is de weigering terecht. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De weigering van de Ziektewet-uitkering per 20 januari 2021 wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen.