Appellant was reach- en heftruckchauffeur en meldde zich ziek op 21 maart 2019 waarna hij een Ziektewetuitkering ontving. Na een eerstejaars ZW-beoordeling beëindigde het UWV in 2020 de uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Appellant meldde zich in 2021 opnieuw ziek en ontving opnieuw een ZW-uitkering. Na een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek beëindigde het UWV de uitkering per 25 juli 2022 omdat appellant geschikt werd geacht voor drie functies die voldeden aan het loonwaardecriterium.
Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen niet waren meegenomen en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd en de medische beperkingen juist had vastgesteld. De Raad onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat de verzekeringsartsen over alle relevante medische informatie beschikten en de klachten adequaat verwerkten in de Functionele Mogelijkhedenlijst.
De Raad wijst het verzoek van appellant voor benoeming van een onafhankelijke deskundige af omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling. Ook het argument van appellant dat de herhaalde toekenning en beëindiging van de uitkering aanleiding zou moeten zijn voor een andere beoordeling wordt verworpen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand.