ECLI:NL:CRVB:2024:1212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag voor perioden zonder bewijs van werkzaamheden in Nederland
Appellante ontving kinderbijslag voor haar drie kinderen, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit recht per 1 maart 2014 vanwege verhuizing naar België en stopzetting van werk in Nederland. Na onderzoek werd kinderbijslag toegekend over juni 2014 tot en met maart 2015, omdat de ex-partner toen in Nederland werkte.
Appellante stelde dat ook over andere perioden recht bestond op kinderbijslag, omdat haar ex-partner als zelfstandige in Nederland zou hebben gewerkt. Zij leverde diverse bewijsstukken aan, waaronder bankafschriften, belastingaangiften en boekhoudbalansen. De Svb en rechtbank oordeelden echter dat deze stukken onvoldoende waren om te concluderen dat de ex-partner in de betwiste perioden in Nederland werkzaam was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellante tijdig bezwaar had moeten maken tegen het beëindigingsbesluit en dat het ontbreken van aanvullend bewijs voor haar eigen risico is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.