Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1132

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
21/1818 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging pgb-bedrag en ingangsdatum maatwerkvoorziening Wmo 2015

Appellante, met diverse beperkingen, vroeg ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en ontving een pgb voor ondersteuning bij huishouden en sociaal functioneren over de periode 2016-2021. Het college stelde het pgb vast op basis van uurtarieven die maximaal 90% bedragen van de goedkoopste voorziening in natura en bepaalde de ingangsdatum op 1 augustus 2016.

Appellante voerde aan dat het pgb onvoldoende was, omdat zij duurdere ondersteuning buiten kantooruren nodig had, en betwistte de ingangsdatum. De Raad oordeelde dat het college de ingangsdatum voldoende motiveerde en dat het pgb passend is, omdat het gebaseerd is op professionele uurtarieven inclusief componenten voor ondersteuning buiten kantooruren.

De Raad concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het verstrekte pgb toereikend is en de ingangsdatum van 1 augustus 2016 terecht is vastgesteld.

Uitspraak

21/1818 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2021, 19/3660 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 22 mei 2024

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. Wevers zich onttrokken.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2024. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Wintjes, mr. S. Klein Breteler en J. Wesdorp.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1971, is bekend met diverse aandoeningen waardoor zij beperkingen ondervindt bij de zelfredzaamheid en participatie. In verband hiermee heeft appellante zich bij het college gemeld voor ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en een daartoe strekkende aanvraag ingediend.
1.2.
Met zeven afzonderlijke besluiten heeft het college appellante over de periode van 18 juli 2016 tot en met 1 augustus 2021 in aanmerking gebracht voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.3.
Met een beslissing op bezwaar van 5 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het college de in 1.2 genoemde besluiten herroepen en aan appellante, voor zover nog van belang, een maatwerkvoorziening verstrekt bestaande uit een ondersteuningsarrangement. Het ondersteuningsarrangement bestaat uit ondersteuning bij het huishouden voor 20,5 uur per week en ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder voor begeleiding bij dagbesteding en administratie, voor 20 uur per week. De maatwerkvoorziening is verstrekt voor de periode van 1 augustus 2016 tot en met 1 augustus 2021, in de vorm van een pgb. Voor de hoogte van het pgb is het college uitgegaan van de uurtarieven voor professionele ondersteuning, die (maximaal) 90% van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura bedragen. Het verstrekte pgb is volgens het college toereikend om de ondersteuning in te kopen. Met betrekking tot de ingangsdatum is in het bestreden besluit vermeld dat het uitgangspunt is dat deze ligt op of na de datum waarop op de aanvraag om ondersteuning is beslist door het college. In dit geval is er aanleiding om hiervan af te wijken en het ondersteuningsarrangement met terugwerkende kracht in te laten gaan per 1 augustus 2016 voor de duur van vijf jaar. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat appellante op deze datum al was aangewezen op ondersteuning van deze aard en met deze omvang, maar aan appellante is het voordeel van de twijfel gegeven gezien de uitzonderlijke situatie.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het verstrekte pgb onvoldoende is om de ondersteuning in te kopen. Gelet op haar aandoeningen is appellante aangewezen op ondersteuning die ook in de weekenden, op feestdagen en op oproepbasis kan worden geleverd. De inkoop van dergelijke ondersteuning buiten kantooruren om is duurder. In de gehanteerde pgb-tarieven is hierin niet voorzien. Ook is voor appellante onbegrijpelijk hoe het college de pgb-tarieven heeft bepaald. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in de door het college gehanteerde ingangsdatum van de maatwerkvoorziening en het pgb.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is de aard en omvang van de aan appellante verstrekte maatwerkvoorziening niet in geschil. Partijen verschillen wel van mening over de ingangsdatum van deze maatwerkvoorziening en het daarmee samenhangende pgb en over de vraag of het verstrekte pgb voldoende is om de benodigde ondersteuning in te kunnen kopen.
4.2.
Het college heeft in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd waarom gekozen is voor 1 augustus 2016 als ingangsdatum van de maatwerkvoorziening en het daarmee samenhangende pgb. Wat appellante heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat deze ingangsdatum niet gevolgd zou kunnen worden.
4.3.
Uit het bestreden besluit blijkt dat de gehanteerde pgb-tarieven op grond van de geldende verordening zijn gebaseerd op de uurtarieven voor professionele ondersteuning. Deze pgbtarieven bedragen (maximaal) 90% van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura. Dit geldt zowel voor het pgb voor ondersteuning bij het huishouden als voor het pgb voor ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren. Niet gebleken is dat de op deze wijze vastgestelde hoogte van het pgb ontoereikend is.
4.4.
Het college heeft afdoende toegelicht en gemotiveerd hoe in de situatie van appellante de hoogte van het pgb is berekend en waarom bij de toepassing van de pgb-tarieven is uitgegaan van de cliëntgroep ‘lichamelijk beperkt’. Dat het college bij een later aan appellante verstrekt pgb is uitgegaan van een andere cliëntgroep met een hoger pgb-tarief, maakt dit niet anders. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij is aangewezen op duurdere ondersteuning bij het huishouden buiten kantooruren om. Voor het pgb voor ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren heeft het college ter zitting toegelicht dat het natura-tarief – waarvan het pgb-tarief is afgeleid – een component bevat voor ondersteuning die buiten kantooruren wordt geleverd en die duurder is.
4.5.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2024.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt