Appellant, een jeugdige met ADHD, autisme en taalontwikkelingsstoornis, vroeg verlenging en ophoging van een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp. Het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen wees dit verzoek af op grond van de eigen kracht van de ouders en het sociale netwerk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek, omdat het college aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van eigen kracht.
In hoger beroep stelde appellant dat de gemeentelijke verordening onvoldoende regels bevat over de beoordeling van eigen kracht, waardoor het besluit geen deugdelijke wettelijke grondslag heeft. De Raad concludeerde dat de verordening niet voldoet aan de eisen van artikel 2.9 van de Jeugdwet, omdat het kader voor toekenning, beoordeling en afweging van individuele voorzieningen ontbreekt. Hierdoor is het besluit tot afwijzing van de jeugdhulp niet rechtsgeldig.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college en droeg het college op een nieuw besluit te nemen binnen een duidelijk wettelijk kader. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit uitsluitend beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant en moest het betaalde griffierecht vergoeden.