Appellant, voormalig eigenaar van een autobedrijf, vroeg vanaf 2016 meerdere keren bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Enschede. Deze aanvragen werden afgewezen omdat appellant onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in zijn levensonderhoud na beëindiging van zijn bedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak in 2019 en gaf het college opdracht een nieuwe beslissing te nemen.
Het college handhaafde de afwijzing in een besluit van 17 mei 2021, met als reden dat de door appellant overgelegde bewijsstukken niet controleerbaar waren en onvoldoende inzicht boden in zijn financiële situatie. Appellant ging hiertegen in beroep bij de Raad.
De Raad oordeelt dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de relevante periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Hij overlegde onder meer huurcontracten, verklaringen van kennissen over leningen, bankafschriften met bijschrijvingen en bewijs van schulden. Het college heeft nagelaten deze gegevens adequaat te onderzoeken en te motiveren waarom deze onvoldoende zouden zijn.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het oorspronkelijke besluit van 28 september 2016. Tevens bepaalt de Raad dat appellant met ingang van 16 augustus 2016 recht heeft op bijstand volgens de toepasselijke norm. Daarnaast wordt appellant in de proceskosten en griffierecht van deze procedure tegemoetgekomen.