Uitspraak
22.1875 ANW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, weduwe van een in Nederland wonende echtgenoot, vroeg een Anw-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf het moment van overlijden van haar man. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe met ingang van juli 2015, één jaar voorafgaand aan de aanvraag, conform artikel 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Appellante maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht, stellende dat zij recht had op een uitkering vanaf het moment van overlijden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen sprake was van een bijzonder geval dat een verdere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Appellante was op de hoogte van het bestaan van de Anw-uitkering maar had een onjuiste opvatting over haar recht daarop.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat onbekendheid met de wetgeving geen reden is voor een bijzonder geval. Appellante kon haar belangen behartigen en had met hulp een aanvraag kunnen indienen. Daarom is het besluit van de Svb om de uitkering slechts met één jaar terugwerkende kracht toe te kennen rechtmatig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beperkte terugwerkende kracht van één jaar wordt bevestigd.