Appellant ontving bijstand en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van deze bijstand wegens het niet melden van handelsactiviteiten in (leger)voertuigen en onderdelen daarvan. Het college baseerde dit op vondsten van voertuigen, administratie en advertenties die aan appellant konden worden gekoppeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de handelsactiviteiten wel op geld waardeerbaar waren en appellant de inlichtingenplicht had geschonden. Echter bood het onderzoek onvoldoende grondslag om voor de periode van 17 november 2009 tot 1 oktober 2014 te concluderen dat sprake was van doorlopende handel. Voor deze periode was de intrekking en terugvordering daarom onterecht.
Voor de periode van 1 oktober 2014 tot 26 september 2017 was er wel sprake van doorlopende handel en was de intrekking terecht. De Raad vernietigde het besluit voor het deel dat betrekking had op de eerdere periode en de terugvordering, en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.