Uitspraak
20 1283 ZW
4 maart 2020, 18/600 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2023.
Centrale Raad van Beroep
Ex-werknemer trad op 1 december 2016 in dienst als bedrijfsleider voor bepaalde tijd. Na een gesprek waarin werd aangegeven dat zijn functie niet werd verlengd, verrichtte hij vanaf 15 juni 2017 werkzaamheden als baliemedewerker met behoud van salaris en arbeidsduur. Hij meldde zich eind september/begin oktober 2017 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem per 1 december 2017 ziekengeld toe op grond van ongeschiktheid voor zijn werk als bedrijfsleider.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het niet helder was vanaf wanneer ex-werknemer ziek was en welke arbeid als maatstaf moest gelden. Het UWV stelde in hoger beroep dat ondanks de feitelijke werkzaamheden als baliemedewerker, de arbeid als bedrijfsleider maatgevend bleef vanwege de intentie van ex-werknemer. De Raad verwierp dit standpunt en stelde dat de maatstaf arbeid de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid is, ongeacht de arbeidsovereenkomst.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen waarin wordt beoordeeld of ex-werknemer per 1 december 2017 ongeschikt was voor zijn werk als baliemedewerker en daarmee recht heeft op ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen over de arbeidsongeschiktheid van ex-werknemer als baliemedewerker per 1 december 2017.