Uitspraak
21.2521 BBZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) met ingang van 1 januari 2019, nadat hij zijn eenmanszaak had herstart. Het college wees deze aanvraag af omdat het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees een verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep stelde appellant dat hij recht had op woonkostentoeslag op grond van het Bbz 2004, terwijl dit volgens hem niet het geval was onder de Participatiewet (PW). De Raad oordeelde echter dat het procesbelang ontbreekt omdat appellant in de relevante periode al algemene bijstand ontving op grond van de PW, en de hoogte van de gewenste bijstand gelijk was aan de reeds ontvangen bijstand. Bovendien is bijzondere bijstand voor woonkosten niet afhankelijk van de bron van de algemene bijstand.
Appellant voerde ook aan schade te hebben geleden door de besluitvorming, maar kon dit niet aannemelijk maken. De Raad concludeerde dat zelfs als de besluiten onrechtmatig zouden zijn, dit niet zou leiden tot nabetaling of schadevergoeding. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.