ECLI:NL:CRVB:2023:328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering beperkingen hand- en vingerfunctie
De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het UWV waarin beperkingen op hand- en vingerfunctie van appellant werden vastgesteld. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met klachten en medische informatie over de cubitale tunnel en fijne motoriek.
Het UWV heeft geprobeerd het gebrek te herstellen door nieuwe rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in te dienen. Deze rapporten erkenden enkele beperkingen, zoals knijp- en grijpkrachtbeperkingen en beperkte tastzin van de rechter pink en ringvinger, maar concludeerden dat de geselecteerde functies nog steeds passend waren.
Appellant betwistte dit en stelde dat het UWV onvoldoende aandacht had besteed aan zijn klachten en dat de fijne motoriek niet intact was. De Raad oordeelde dat het UWV het motiveringsgebrek niet had hersteld omdat de verzekeringsarts niet voldoende was ingegaan op stijfheid en doof gevoel in de vingers en de gevolgen daarvan voor hand- en vingergebruik. De geselecteerde functies, die kenmerkende belastingen op hand- en vingergrepen en fijne motoriek vereisen, moeten daarom vervallen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling.