Verzoekster had een aanvraag ingediend voor dubbele kinderbijslag voor haar dochter, die vanwege een vasculaire aandoening en motorische beperkingen intensieve zorg nodig heeft. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af op basis van een advies van het CIZ en het Beoordelingskader BUK, waarbij werd geoordeeld dat de dochter geen intensieve zorg nodig had en een zorgscore van 2 punten had, terwijl minimaal 3 punten vereist zijn.
De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde vast dat onterecht geen punt was toegekend voor mobiliteit, omdat de dochter buitenshuis slechts 100 meter kan lopen en voor langere afstanden afhankelijk is van een rolstoel. De Svb stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak had voorzien en dat de dochter niet rolstoelafhankelijk zou zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtbank terecht had geconcludeerd dat de dochter rolstoelafhankelijk is en hulp nodig heeft bij het voortbewegen van de rolstoel. De Svb had dit niet onderkend. De voorzieningenrechter vernietigde het dictum van de rechtbank voor zover daarin niet was bepaald dat dubbele kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal 2021 wordt toegekend en kende dit toe.
Het verzoek om een voorlopige voorziening en om schadevergoeding werden afgewezen, omdat geen spoedeisend belang bestond en de gestelde schade niet aannemelijk was gemaakt. De griffierechten werden aan verzoekster terugbetaald.