ECLI:NL:CRVB:2023:29
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden
Appellant heeft bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Het ingediende beroepschrift voldeed hier niet aan omdat het geen gronden bevatte.
Appellant is bij brief van 23 mei 2022 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Vervolgens is bij aangetekende brief van 23 juni 2022 nogmaals een termijn van vier weken gesteld om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook deze termijn is ongebruikt verstreken.
Er zijn geen redenen gebleken die het verzuim van appellant kunnen verontschuldigen. Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in aanwezigheid van griffier A.F. Hulskes, op 10 januari 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen de gestelde termijnen.