ECLI:NL:CRVB:2023:2502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herleving van werkloosheidsuitkering na termijnoverschrijding
Appellant was militair met een dienstverband dat eindigde op 1 juni 1996 en ontving daaropvolgend een WW-uitkering over de periode 1996-2000. In 1999 werd de uitkering geschorst wegens het niet naleven van re-integratieverplichtingen, zonder dat hiertegen bezwaar werd gemaakt, waardoor het besluit onherroepelijk werd.
In 2019 verzocht appellant alsnog om herleving van de uitkering, stellende dat er nog resterende WW-rechten zouden zijn. Dit verzoek werd in 2020 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht had op uitbetaling van resterende uitkeringsrechten. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van resterende rechten, mede omdat het schorsingsbesluit onherroepelijk was en er geen hervattingsbesluit was genomen. Tevens geldt een verjaringstermijn van vijf jaar voor financiële aanspraken jegens de overheid, die ruimschoots was verstreken.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Verzoek tot proceskostenvergoeding door de staatssecretaris werd afgewezen, evenals een veroordeling van de staatssecretaris in de kosten van appellant wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht.
Uitkomst: Verzoek tot herleving van WW-uitkering afgewezen wegens verstrijken wettelijke termijn en ontbreken resterende rechten.