ECLI:NL:CRVB:2023:2415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten binnen vijf jaar na achttiende jaar
Appellant heeft in 2011 een Wajong-uitkering aangevraagd die door het UWV is afgewezen. In 2020 vroeg appellant opnieuw om een Wajong-uitkering, maar het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische situatie op het achttiende jaar juist was vastgesteld en dat de latere klachten niet tot toekenning leidden.
Appellant stelde in hoger beroep dat er sprake was van psychische klachten op het achttiende jaar, waaronder een depressieve stoornis, en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad volgde dit niet, omdat onvoldoende medische onderbouwing was geleverd dat de beperkingen eerder bestonden dan het vastgestelde medische knikmoment in 2016.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht het verzoek afwees op grond van artikel 1a:1 Wajong en dat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na het achttiende jaar door dezelfde ziekteoorzaak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken binnen vijf jaar na het achttiende jaar.