ECLI:NL:CRVB:2023:2346

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
22/3931 PW-W
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verzoek om wraking tegen behandelend rechter in sociaalzekerheidszaak

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Na een eerste zitting waarbij verzoeker niet aanwezig was, werd de zaak opnieuw behandeld wegens een fundamentele procedurefout bij de zittingsuitnodiging. Tijdens de voortgezette zitting nam verzoeker telefonisch deel.

Verzoeker diende vervolgens een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter en ondersteunende juristen, stellende dat onder meer de uitspraak niet binnen de aangekondigde termijn van twee weken was gedaan en dat hem geen proceskostenformulier was toegezonden. De wrakingskamer overwoog dat wraking tegen ondersteunende juristen niet mogelijk is en dat de vertraging in uitspraak en het ontbreken van het formulier te wijten waren aan administratieve fouten van de griffie, zonder betrokkenheid van de rechter.

De kamer concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter rechtvaardigen. Daarom werd het wrakingsverzoek tegen de rechter afgewezen en het verzoek tegen de juristen niet in behandeling genomen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de behandelend rechter is afgewezen en het verzoek tegen de ondersteunende juristen niet in behandeling genomen.

Uitspraak

22.3931 PW-W, 22/3991 PW-W

Datum beslissing: 17 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door:
[verzoeker] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 15 november 2022, 21/5238, in het geding tussen verzoeker en de het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2023. De uitnodiging voor de zitting is per e-mail verstuurd op 14 februari 2023. Verzoeker is niet verschenen op de zitting. Op 7 maart 2023 is uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening en het hoger beroep. Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de Raad de uitspraak van 7 maart 2023 vervallen verklaard omdat bij de totstandkoming een fundamenteel voorschrift is geschonden. Uit de administratie van de Raad is namelijk gebleken dat de zittingsuitnodiging van 21 februari 2023 verzoeker niet heeft bereikt, doordat bij de verzending daarvan een onjuist e-mailadres is gebruikt. Verder is in de uitspraak van 30 mei 2023 vermeld dat het onderzoek zal worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen de zittingsuitnodiging werd verzonden en dat de zaak opnieuw zal worden behandeld door een andere kamer van de Raad.
Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 13 juni 2023, met als behandelend rechter K.M.P. Jacobs (behandelend rechter). De zittingsuitnodiging is naar verzoeker aangetekend verstuurd op 7 juni 2023. Verzoeker heeft telefonisch aan deze zitting deelgenomen.
Op 24 juli 2023 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter en de haar ondersteunende juristen.
De behandelend rechter heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de wrakingskamer op 10 augustus 2023. Verzoeker is niet verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Anders dan verzoeker tijdens de zitting op 13 juni 2023 is verteld, is niet binnen twee weken uitspraak gedaan. Van de reden waarom niet binnen twee weken uitspraak is gedaan is verzoeker niet op de hoogte gebracht. Aan verzoeker is verder geen proceskostenformulier toegestuurd, wat volgens hem nog meer vragen oproept of er voor de zitting al een uitspraak in gedachten was.
3. Voor zover het verzoek om wraking is gericht tegen de ondersteunende juristen overweegt de wrakingskamer dat de wet geen ruimte biedt voor hun wraking. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.
4.1.
Voor zover het verzoek om wraking is gericht tegen de behandelend rechter overweegt de wrakingskamer als volgt.
4.2.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt. Bij de beoordeling van een verzoek om wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, moet dit vermoeden wijken (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:370).
4.3.
Uit het dossier is gebleken dat het dossier bij de administratieve verwerking door de griffie op een verkeerde plek is terechtgekomen. Dat de uitspraak hierdoor niet binnen de ter zitting genoemde termijn van twee weken is verzonden is spijtig. Deze omstandigheid levert echter geen aanwijzing op dat de behandelend rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de dienaangaande bij hem bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De behandelend rechter was bij de verkeerde verwerking van het dossier en de daardoor ontstane vertraging in de verzending van de uitspraak niet betrokken. Datzelfde geldt voor het feit dat verzoeker kennelijk geen proceskostenformulier is toegezonden. De toezending van deze formulieren aan partijen geschiedt eveneens door de griffie. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking van de ondersteunende juristen niet in behandeling;
- wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechter af.
Deze beslissing is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van I. Gök als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) I. Gök