Uitspraak
21.1844 ZW
OVERWEGINGEN
12 september 2019 en 7 oktober 2019 ten grondslag.
BESLISSING
€ 181,- vergoedt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als orderverwerker magazijnhulp en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV beëindigde zijn ZW-uitkering per 22 juli 2019 op basis van een medisch oordeel dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de maatstaf arbeid onjuist was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de functie van orderverwerker als maatstaf had genomen, waarbij tijdelijke werkdrukpieken buiten beschouwing moesten blijven. In hoger beroep stelde appellant dat de werkdruk en deadlines in zijn functie niet waren meegenomen en dat hij snel overbelast raakt. Naar aanleiding hiervan werd appellant alsnog opgeroepen voor een spreekuur bij een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Na lichamelijk en psychisch onderzoek concludeerde de verzekeringsarts dat er geen aanleiding was het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad oordeelde dat het UWV het eerdere gebrek in de bezwaarprocedure had hersteld en dat de beëindiging van de ZW-uitkering terecht was. Het beroep van appellant werd afgewezen, het bestreden besluit bleef in stand en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 22 juli 2019 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.