ECLI:NL:CRVB:2023:222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire strafontslag wegens plichtsverzuim en weigering re-integratie
Appellante was sinds 2008 in dienst bij de gemeente Rotterdam en werkte als ambtenaar. Na een aanrijding in 2017 meldde zij zich ziek en vertoonde langdurig ziekteverzuim. Ondanks re-integratie-inspanningen, waaronder werkzaamheden bij verschillende afdelingen en trajecten in spoor 1 en 2, werkte appellante niet mee en miste meerdere afspraken. Ze weigerde passende arbeid te verrichten en medewerking te verlenen aan het insturen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).
Het college staakte de bezoldiging per april 2019 en legde in december 2019 disciplinaire strafontslag op wegens ernstig plichtsverzuim. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellante in staat was passende werkzaamheden te verrichten en dat het ontslag niet onevenredig was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad vond dat de aangeboden werkzaamheden passend waren en appellante deze zonder geldige reden had geweigerd. Ook was het plichtsverzuim bewezen door het niet naleven van re-integratieverplichtingen en het niet aanleveren van een VOG. De disciplinaire straf was proportioneel gezien de ernst en duur van het verzuim. De beroepen werden verworpen en de uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het disciplinaire ontslag wegens plichtsverzuim en weigering tot re-integratie.