ECLI:NL:CRVB:2023:220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid bestuur tot niet-oproepen buitengriffier zonder arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 2017 als buitengriffier werkzaam bij het gerechtshof Den Bosch. Het bestuur besloot vanaf 1 januari 2020 appellant niet meer op te roepen als buitengriffier, waarbij het formeel geen sprake was van beëindiging van benoeming of ontslag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst van rechtswege was ontstaan en dat het bestuur bevoegd was om appellant niet meer op te roepen.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad stelde vast dat de functie van buitengriffier weliswaar een ambt betreft, maar dat bepalingen over aanstellingen uit het Algemeen Rijksambtenarenreglement niet van toepassing zijn. Er is geen arbeidsovereenkomst van rechtswege ontstaan per 1 januari 2020. Ook bestaat er geen verplichting voor het bestuur om een buitengriffier op te roepen, mede gezien de wettelijke regeling dat een buitengriffier pas kan worden ontslagen na drie jaar geen werkzaamheden te hebben verricht.
De Raad benadrukte dat het bestuur een grote mate van vrijheid heeft bij de inrichting van de organisatie en personele inzet, waaronder het flexibel inzetten van buitengriffiers. Bij de belangenafweging weegt het organisatiebelang zwaarder dan het persoonlijke belang van appellant. Appellant is bovendien een redelijke termijn gegund om ander werk te vinden. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestuur mag appellant niet meer oproepen als buitengriffier.