ECLI:NL:CRVB:2023:2170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstandsaanvragen wegens vermogen auto
Appellante ontving sinds 2016 bijstand als alleenstaande ouder. Na wijziging van haar situatie en een signaal over een andere auto op haar naam, startte het college een onderzoek. Het college stelde vast dat zij sinds 19 december 2019 beschikte over een auto met een waarde van €14.750, wat haar vermogen boven de vermogensgrens bracht. Hierdoor werd het recht op bijstand per 27 december 2019 ingetrokken en aanvragen van april en mei 2020 afgewezen.
Appellante betwistte de waarde van de auto en stelde dat sprake was van zaaksvervanging, waarbij de inruil van haar oude auto de vermogensaanwas zou beperken. Ook voerde zij aan dat een lening van €5.500 als schuld in aanmerking genomen moest worden. De Raad oordeelde dat het college de waarde van de auto terecht had vastgesteld op basis van aankoopbewijs, ANWB-koerslijsten en een vergelijkingssite, en dat de taxatierapporten van appellante niet doorslaggevend waren.
De stelling van zaaksvervanging werd verworpen omdat de Participatiewet hiervoor geen grondslag biedt. De lening werd niet als schuld erkend omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze daadwerkelijk bestond, opeisbaar was en werd afgedwongen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees de beroepen af, waardoor de intrekking en afwijzingen in stand blijven.
Uitkomst: De intrekking van het recht op bijstand en de afwijzing van de bijstandsaanvragen worden bevestigd vanwege het bezit van een auto met een waarde die het toegestane vermogen overschrijdt.