ECLI:NL:CRVB:2023:2137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ongewijzigde medische beperkingen na EZWb
Appellant was werkzaam als schoonmaker/glazenwasser en meldde zich sinds december 2018 ziek met rugklachten. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) in januari 2021 werd het ziekengeld beëindigd omdat appellant geschikt werd geacht voor andere functies. Op 11 juni 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek met vermeende toegenomen rugklachten, maar het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische beperkingen niet waren toegenomen en dat de geselecteerde functies medisch en arbeidskundig passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten waren toegenomen, ondersteund door fysiotherapie en medicatie, maar bracht geen nieuwe medische stukken die dit onderbouwden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld had geweigerd omdat de beperkingen onveranderd waren ten opzichte van de EZWb. De Raad bevestigde dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende was en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat de functies tot een verslechtering van zijn klachten zouden leiden.
Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het ziekengeld heeft geweigerd omdat de medische beperkingen niet zijn toegenomen.