Uitspraak
OVERWEGINGEN
Samenvatting
.
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om uitbreiding van de aan hem toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. Verweerder, de Sociale verzekeringsbank, wees dit verzoek af omdat er geen medische noodzaak voor uitbreiding was.
De Raad beoordeelde het beroep van appellant en concludeerde dat het beleid van verweerder, waarbij een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp wordt toegekend aan personen van 70 jaar en ouder die niet meer in staat zijn lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten of bij psychische aandoeningen met (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag, aanvaardbaar is. Medische adviezen van twee artsen onderschreven het ontbreken van een medische noodzaak voor uitbreiding.
Appellant kon nog lichte huishoudelijke werkzaamheden verrichten en vertoonde geen chaotisch gedrag of zelfverwaarlozing. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing van de uitbreiding van huishoudelijke hulp in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.