ECLI:NL:CRVB:2023:2106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medeterugvordering bijstand na eerdere uitspraak Raad van 13 december 2022
In deze zaak staat de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van Venlo op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 december 2022. Het betreft een medeterugvordering van bijstand aan appellant over de periode van 15 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019.
Appellant betwist dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met zijn voormalige partner D vanaf 15 augustus 2019 en stelt dat de terugvordering onterecht is. De Raad verwijst naar zijn eerdere oordeel dat voor de periode van 16 november 2018 tot en met 14 augustus 2019 onvoldoende grondslag bestaat voor een gezamenlijke huishouding, maar dat dit vanaf 15 augustus 2019 wel het geval is.
Het college heeft het bedrag van de medeterugvordering over de genoemde periode vastgesteld op € 2.325,43. Appellant verzocht dit bedrag nihil te verklaren vanwege een proceskostenvergoeding die het college aan D moest betalen, maar de Raad oordeelt dat verrekening pas mogelijk is nadat het bedrag van de vordering is vastgesteld.
De Raad verklaart het beroep ongegrond, waardoor de terugvordering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. Hiermee bevestigt de Raad dat het college de eerdere uitspraak correct heeft uitgevoerd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023 wordt ongegrond verklaard en de medeterugvordering blijft in stand.