Appellante, woonachtig in Marokko en gehuwd sinds 1972, heeft een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende haar een pensioen toe van 4%, gebaseerd op verzekerde huwelijkse tijdvakken van haar overleden echtgenoot, die volgens de Svb verzekerd was van 12 augustus 1981 tot 14 oktober 1982.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het eerste besluit van de Svb en bepaalde dat de echtgenoot ook verzekerd was van 1 april 1980 tot 31 oktober 1980, maar niet voor de periode van 31 oktober 1980 tot 12 augustus 1981, omdat de overgelegde ziekenfondskaarten onvoldoende bewijs leverden. De Svb paste daarop het pensioen aan met ingang van oktober 2014, maar behield het kortingspercentage van 96%.
Appellante voerde aan dat haar echtgenoot doorlopend verzekerd was van 1 april 1980 tot 14 oktober 1982, onder meer op basis van ziekenfondskaarten, een loonstrook en een stortingsbewijs. De Raad oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs vormen voor een ononderbroken verzekeringsperiode, mede omdat uit het Schakelregister bleek dat de echtgenoot zich pas op 12 augustus 1981 in Nederland inschreef.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, en handhaafde het recht van appellante op een ouderdomspensioen van 4%. Zij kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.