Appellante diende een aanvraag om bijstand in die door het college buiten behandeling werd gesteld wegens het niet overleggen van gevraagde bankafschriften. Appellante maakte bezwaar tegen het verzoek om deze gegevens, waarna het college het bezwaar ongegrond verklaarde en de buitenbehandelingstelling handhaafde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling niet-ontvankelijk omdat het bezwaar te vroeg zou zijn ingediend. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft beoordeeld en vernietigt deze niet-ontvankelijkverklaring.
De Raad beoordeelt inhoudelijk dat appellante verplicht was de gevraagde bankafschriften te overleggen, omdat deze essentieel zijn voor de beoordeling van haar financiële situatie en het recht op bijstand. Omdat appellante deze gegevens niet heeft aangeleverd, is het beroep tegen de buitenbehandelingstelling ongegrond.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover deze de niet-ontvankelijkverklaring betreft, maar het beroep wordt ongegrond verklaard.