ECLI:NL:CRVB:2023:1902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode tijdens uitzending naar Zambia
Appellant, geboren in 1953 en met de Nederlandse nationaliteit, diende een aanvraag in voor AOW-pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een pensioen toe met een korting van 4%, omdat hij niet verzekerd was voor de AOW gedurende de periode van 2 juli 1985 tot en met 3 januari 1988. Gedurende deze periode was appellant in dienst van een Britse werkgever en uitgezonden naar Zambia.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat gedurende het eerste jaar van uitzending appellant nog ingezetene van Nederland was, maar dat op hem uitsluitend de Britse wetgeving van toepassing was. In hoger beroep betoogde appellant dat hij gedurende de gehele periode ingezetene van Nederland bleef en dat de periode van uitzending mee moest tellen voor zijn AOW-pensioen.
De Raad oordeelde dat appellant van 2 juli 1985 tot 2 september 1986 onder de Britse wetgeving viel op grond van Verordening 1408/71, en dat hij vanaf het vertrek van zijn echtgenote naar Zambia geen duurzame band meer met Nederland had, waardoor hij niet meer als ingezetene werd beschouwd. De korting van 4% op het pensioen is daarmee terecht toegepast. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en adviseert de Svb in overleg te treden met het Britse orgaan om mogelijke aanvullende pensioenrechten te onderzoeken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 4% op het AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode tijdens uitzending naar Zambia.