ECLI:NL:CRVB:2023:1893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget wegens onvoldoende gewaarborgde hulp
Appellant, met indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan met een vriend als gewaarborgde hulp. Het zorgkantoor weigerde het pgb omdat geen zorgovereenkomsten waren gesloten, geen administratie werd bijgehouden en er geen budgetplan was opgesteld. De voorgestelde gewaarborgde hulp sprak onvoldoende Nederlands en kon de verplichtingen niet waarborgen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. De Raad oordeelt dat het zorgkantoor terecht het pgb heeft geweigerd op grond van artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder 5, van de Regeling langdurige zorg, omdat onvoldoende waarborg bestaat dat de pgb-verplichtingen worden nagekomen.
Hoewel de voorgestelde gewaarborgde hulp zeer betrokken is, zijn er geen zorgovereenkomsten gesloten en ontbreekt een volledig budgetplan. Het zorgkantoor heeft bovendien aangetoond dat zorg in natura mogelijk is en heeft overleg gevoerd met relevante instellingen. Appellant heeft niet gereageerd op verzoeken om medewerking voor zorg in natura. De Raad concludeert dat de belangenafweging niet tot een onevenredige uitkomst leidt en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het pgb wordt bevestigd.