ECLI:NL:CRVB:2023:1649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering bijzondere bijstand voor huur, stofferings- en inrichtingskosten
In deze zaak stond de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam terecht bijzondere bijstand had geweigerd voor verschillende kostenposten van appellant.
Ten eerste oordeelde de Raad dat bijzondere bijstand voor de eerste maand huur niet toekwam omdat appellant deze kosten al had voldaan bij de aanvraag. Dit is in lijn met artikel 35 van Pro de Participatiewet, dat verlening van bijstand voor reeds betaalde kosten uitsluit. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij niet eerder kon aanvragen.
Ten tweede bevestigde de Raad dat het college een forfaitair bedrag van €631,- mocht hanteren voor stofferingskosten, ondanks het verzoek van appellant om €2.000,-. Appellant maakte onvoldoende aannemelijk dat het forfait niet toereikend was, ook medische onderbouwing ontbrak.
Ten slotte oordeelde de Raad dat weigering van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten terecht was omdat niet was voldaan aan de vereiste bijzondere omstandigheden. Het vertrek uit de studentenstudio was voorzienbaar en appellant had onvoldoende onderbouwd dat hij niet kon reserveren vanwege schulden. Ook het beroep op rechtszekerheid en vertrouwen faalde.
De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht bijzondere bijstand heeft geweigerd voor de eerste maand huur en inrichtingskosten, en dat het forfaitaire bedrag voor stofferingskosten passend was.