ECLI:NL:CRVB:2023:1574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering en weigering WIA-uitkering na onvoldoende wachttijd
Appellant was werkzaam als stackerdraaier en meldde zich ziek met nekklachten na een arbeidsongeval. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Tevens werd een WIA-uitkering geweigerd omdat appellant niet 104 weken recht had op ZW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch en arbeidskundig onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren, onder meer vanwege nek- en rugklachten en vermeende leidinggevende taken.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat appellant onvoldoende nieuwe medische gegevens had aangeleverd. De functies assemblage medewerker, machinebediende inpak/verpakkingsmachine en productiemedewerker industrie werden als passend beoordeeld. Het UWV handhaafde terecht de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering.
Het bestreden besluit was niet volledig gemotiveerd ten aanzien van de functie assemblage medewerker, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat het niet leidde tot benadeling. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering.