Appellant, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg sinds 2000, vorderde erkenning van zijn arbeidsongeschiktheid als werkgerelateerd en veroorzaakt door buitensporige werkomstandigheden. Hij baseerde dit op negen incidenten tijdens zijn werkzaamheden, waaronder confrontaties met agressieve personen en bedreigingen.
Het college wees dit verzoek af omdat de eerste drie incidenten niet tot de normale werkzaamheden van appellant behoorden en de overige incidenten geen buitensporig karakter hadden. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de werkzaamheden bij de eerste drie incidenten buiten de normale functie vielen en dat de overige incidenten, waaronder milieucontroles, aanhoudingen en bedreigingen, niet uitzonderlijk waren binnen de functie en werkomstandigheden.
De Raad benadrukte dat niet elke frustrerende situatie als buitensporig kan worden aangemerkt en dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat de omstandigheden objectief buitensporig waren. Tevens werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €418,50.