ECLI:NL:CRVB:2023:1432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na aanvullend medisch onderzoek
Appellante, voormalig goudsmid, vroeg een WIA-uitkering aan wegens klachten van fibromyalgie, chronische vermoeidheid en psychische problemen. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 9,40%, onvoldoende voor een uitkering. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij dit oordeel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen objectief medische grondslag was voor aanvullende beperkingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het primaire onderzoek niet zorgvuldig was en dat een verzekeringsarts haar onvoldoende lichamelijk had onderzocht. Pas in hoger beroep vond een uitgebreid medisch onderzoek plaats, waarbij aanvullende beperkingen werden vastgesteld. De arbeidsdeskundige herberekende de arbeidsongeschiktheid op 27,31%, nog steeds onder de 35% grens.
De Raad concludeert dat het aanvullend onderzoek zorgvuldig en deugdelijke motivering bevat, dat de beperkingen juist zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het gebrek in het oorspronkelijke besluit wordt gepasseerd onder toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat het niet tot benadeling heeft geleid. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een WIA-uitkering wordt bevestigd.