ECLI:NL:CRVB:2023:143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens woonplaats niet gegrond voor deelperiode
Appellant ontving bijstand vanaf 13 september 2016, ingeschreven te Leidschendam. Het college stelde dat appellant niet zijn hoofdverblijf in Leidschendam had en trok de bijstand in over de periode 13 september 2016 tot 8 november 2018. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep onderzocht de Raad het bewijs, waaronder bankafschriften, waarnemingen, verklaringen van buurtbewoners en waterverbruik. Voor de periode 13 september 2016 tot 1 juni 2018 oordeelde de Raad dat deze feiten onvoldoende zijn om te concluderen dat appellant niet in Leidschendam woonde. Voor de periode vanaf 1 juni 2018 tot 8 november 2018 was er wel voldoende bewijs dat appellant zijn persoonlijk leven elders had, mede door een arbeidscontract en waarnemingen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank voor het eerste deel van de periode en herroept het besluit van 8 november 2018 voor dat deel. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd voor de periode 13 september 2016 tot 1 juni 2018 en bevestigd voor de periode daarna.