ECLI:NL:CRVB:2023:1371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure heeft het UWV op 13 december 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee het volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Hierdoor heeft appellante op 25 januari 2023 het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot proceskostenveroordeling beoordeeld op basis van de ingediende stukken. De Raad oordeelt dat het UWV, nu het tegemoet is gekomen aan de bezwaren, de proceskosten moet vergoeden die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep.
De proceskostenvergoeding is vastgesteld op in totaal € 2.511,-, bestaande uit € 837,- voor het beroep en € 1.674,- voor het hoger beroep, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding van het betaalde griffierecht dient appellante rechtstreeks bij het UWV te vorderen.
De uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in aanwezigheid van griffier H. Alajai, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2023.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 2.511,- aan proceskosten aan appellante.