Uitspraak
OVERWEGINGEN
ZW-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was ziekgemeld met rug-, maag- en psychische klachten en ontving vanaf april 2018 een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 8 april 2019, omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek geschikt werd geacht voor passende functies waarmee hij meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen.
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit, stellende dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, zijn beperkingen werden onderschat, en hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor de geselecteerde functies. Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij zowel fysieke als psychische klachten zijn meegewogen. De Raad vond geen aanleiding om aan te nemen dat de geselecteerde functies medisch niet passend zijn.
De Raad wees ook de stelling van appellant af dat zijn medicijngebruik werken verhindert en dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. De functies zijn van laag opleidingsniveau en vereisen geen uitgebreide taalvaardigheid. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd omdat appellant passend werk kan verrichten en meer dan 65% van zijn loon kan verdienen.